26.1.07

ANGLO-SAXONS AT THE DISCO.

Het is een waarheid als een koe: youth is wasted on the young. Maar hoe klínkt jong zijn, en hoe klinkt het als iemand het wél kan waarderen?

De vergelijking dient zich bijna wanhopig aan, en ik zal hem dan maar meteen uit de weg ruimen: vijf jaar geleden sprak Mike Skinner (als The Streets) rechtstreeks tot de harten van éénieder die jong was, in West-Europa leefde, en wel eens een joint had gedraaid of een spelcomputer had beroerd. Original Pirate Material (2002) was een meesterwerk sui generis, en één van de beste platen van deze eeuw.

Maar laat de vergelijking daar ophouden, godzijdank. Het zit zo. Jamie T heeft een nieuwe basgitaar. Maar goed ook, want anders zou hij ons allemaal overhoop schieten met het pistool waaraan hij zijn spaargeld anders zou hebben besteed. Nu zingt hij met zijn bezopen vrienden de gospel van het viersnarige instrument. En dat is nog maar het begin.

Wat volgt is een eclectische barrage die wat taal betreft alleen maar in clichés te vatten is: respect voor klassiekers, geen respect voor stijlgrenzen, crossover te over, jeugdige levenslust.

Goed, nog even de vergelijking dan. De kwaliteiten die Mike Skinner verhieven tot genie - voordat hij zich verloor in zelfgenoegzame conceptalbums en met wodka zwaaien tijdens Lowlands - waren vooral zijn zeer directe spreektaalteksten en een geluid dat zowel een parodie op het toen hippe UK Garage was als een samenvatting ervan, onderwijl gewiekst leentjebuur spelend bij min of meer verwante stijlen als reggae en mainstream hiphop.

Welnu, de directe aanspreekvorm, die deelt Jamie wel met Mike. Maar waar Mike ophoudt met een tekstuele knipoog naar Craig David pakt Jamie het concept van de crossover, schopt het in tweeën en denkt er geen seconde langer over na. Want om een postmoderne dooddoener te recyclen: wat doen genres er ook toe, tegenwoordig? Bij nadere beluistering wordt het klinkklaar dat de praat-zing-rap vrijwel het enige kenmerk is dat Jamie T gemeen heeft met The Streets. En misschien dat we er nu eindelijk over op kunnen houden.

Want Jamie, die luistert liever naar The Clash, Joy Division en The Specials, als we zijn eigen muziek op oorwaarde mogen beoordelen. Eén en ander getransponeerd naar 2007, natuurlijk; soms slick en dan weer lo-fi slaapkamerstijl.

Hetgeen al saillant wordt na het frivole openingsstuk over de nieuwe basgitaar: bij opening klinkt "Salvador" als een kokette zwanenzang waar Guillemots nog een puntje aan zouden kunnen zuigen, maar binnen de kortste keren verwordt het met het binnenkomen van de drums tot een gitaardansnummer waar Franz Ferdinand of Bloc Party dan bijvoorbeeld weer niet vies van zouden zijn. "Bang bang, Anglo-saxons at the disco", inderdaad.

Wat volgt is "Calm Down Dearest", een portret-onder-invloed dat in eerste instantie doet denken aan - de laatste keer, echt! - "Too Much Brandy" van The Streets, maar waar Mike Skinner naar Amsterdam ging gaat Jamie gewoon de dansvloer op. Bovendien zijn daar een Fender Rhodes (sample, maar toch) en een heus refrein. Om niet te spreken van hevig gesnuif in de microfoon.

In het akoestische "Back in the Game" klinkt onze jonge hond uit Wimbledon als een jonge Dylan die Arctic Monkeys covert, en alleen dat lijkt me al een Brit Award waard. Het begin en eind van "Operation" herinneren me eraan dat Jamie veelvuldig gebruik maakt van korte spraakfragmenten tussendoor, a la Jens Lekman; dit versterkt de terloopse vibe, ook al kun je er geen flikker van verstaan. De indiepopgitaren van dit lied en het mantra "all thriller no filler" verheffen dit lied al tot vaste prik bij BBC Radio 1, als ze daar het lied dat erop volgt ooit zat zijn, tenminste.

Want in zekere zin is "Sheila" toch Jamie T's proudest moment. De reeks grootsteedse portretten van het reilen en zeilen van doodnormale mensen klinkt op het eerste gehoor als een aflevering van EastEnders, ondersteund door drumloops, contrabas-samples en hypnotische synths en strijkers. Echter, in tegenstelling tot het eeuwige drama rond Albert Square worden de figuren in dit lied gechroniqueerd door een minstreel die er echt wat bij voelt. Doet het ook nog goed in de pub, wat wil je nog meer.

(Nu ik erover nadenk doet "Sheila" nog het meest denken aan het onnavolgbare "Two Pints of Lager and a Packet of Crisps", het intens komische geesteskind van één van mijn helden, Susan Nickson, die haar ervaringen met een klein stadje ergens in een hoek van Engeland met succes in sitcomvorm goot.)

Eerlijk is eerlijk, dieptepunten zijn er ook. Het vermoeden mag bestaan dat Jamie zijn slaapkamer wellicht wat gehaast heeft verruild voor een contract met Virgin, en de auditieve aanwijzingen zijn er. Dat "Dry Off Your Cheeks" weelderig in ruis baadt is tot daaraan toe, maar de één of andere boerenkinkel die ver op de achtergrond iets onverstaanbaars roept zorgt dat dit lied toch vooral een verdwaalde niet-voor-publiekdemo lijkt. Waarom, in godsnaam?

Daarna komt het niet meer goed. Het prettig aan ADHD lijdende "If You Got the Money" heeft dan wel een Inner Circle-sample en teksten als "Mama still wants you home for supper", en "Alicia Quays" heeft een geestige titel, maar na het magistrale "Sheila" is het album toch iets te duidelijk over zijn hoogtepunt heen, en lijkt het mantra van "Operation" toch gelogen: dit is opvulmateriaal.

Jammer, en dit laat de luisteraar dan ook achter met twee gedachten. Enerzijds kan ik me niet onttrekken aan de gedachte dat Jamie met enige haast wat radiogeile tracks heeft neergeplempt om zijn meerderen in maatpak te plezieren. Anderzijds blijft staan dat Jamie T een plaat heeft gemaakt die niet alleen uniek is maar die ook veel mensen aan zal spreken.

Ach, zong Badly Drawn Boy niet "Songs are never quite the answer, just a soundtrack to a life"? De film waaronder deze plaat klinkt, daar wil ik best deel van uitmaken. Op z'n minst maakt deze plaat dat ik weer eens dronken wil worden in Londen, en dat is een pluim waard.

Jamie T - Panic Prevention [2007].

Labels: , , , , , , ,

13.8.06

ZANGZAAD.

Goed Mens, u gaat naar Lowlands en neemt mee. Prima. U heeft mijn advies ter harte genomen. Prachtig. Maar zo aan de vooravond van dit driedaags festijn kan ik het verlangen niet onderdrukken om het tóch nog even over Guillemots te hebben.

In mijn oorspronkelijke verhandeling over het Pad naar Lowlands, Verlichting en Lagere Golfscores had ik deze Britse vogels (alken, om precies te zijn) al even aangestipt, maar toen moest ik bekennen dat ik schrijnend onbekend was met deze gevleugelde minstrelen. Sterker nog, ik kende welgeteld één lied. Ik heb me dan ook onmiddelijk na het ter perse gaan van het artikel ingeluisterd in de materie. Noem het omgekeerde onderzoeksjournalistiek.

En man, kom ik even verslag uitbrengen. Allereerst, een vogeltje heeft mij ingefluisterd dat je het schijnt te moeten uitspreken als "GIL-luh-mottz", dus niet op z'n Frans, zoals ik aanvankelijk verwachtte. Zeker weten doe ik het nog steeds niet.

In het kader van de hokjesgeest (of pigeonholing, om de vogelwoordspelingen tot de laaste druppel uit te melken) ligt het op het eerste gehoor bijzonder voor de hand om debuutgeluidsdrager Through the Windowpane netjes te filen under het ó zo hippe "Barokpop": kekke liedjes met lekker veel drama en aangevuld met een - voor rock-&-rollbegrippen - niet erg gangbaar instrumentarium (zie Arcade Fire, The Decemberists, Sufjan Stevens).

Maar er is meer aan de hand. Om te beginnen zijn de heren (op een verdwaalde Braziliaan of Canadees na) afkomstig uit Groot-Britannië, het land waar je met met puntige witte schoenen, al even puntige Fender-riffs, twee pakjes per dag en liedjes over meisjes niet veel meer nodig hebt om wereldberoemd te worden. Op een paar notabele uitzonderingen na lijken Britten zelfs op hun experimenteelst nog vrij gewoontjes. En dat is een zegen.

De heftig gearrangeerde, slepende pop zoals we die van eerdergenoemde artiesten kennen lijkt dan ook steevast van over de plas te komen. Dat Guillemots een verfrissende uitzondering zijn is mede juist te wijten aan hun komaf: ook in hun meest epische ondernemeningen komen Fyfe Dangerfield en zijn kornuiten over als ordinary lads.

Neem de tweede single, Trains to Brazil. Trompetten, spelende kinderstemmen en een zoemende Theremin kunnen niet voorkomen dat de luisteraar visioenen krijgt van volwassen mannen in denim tuinbroeken op de hoek van de straat. En dit is goed. Want Arcade Fire in de geest van Come on Eileen - waarom hebben we daar in godsnaam niet eerder aan gedacht?

Ook inhoudelijk voeren contrasten prettig de boventoon. Dit ogenschijnlijk zonnige lied verwijst gortig naar de waanzin van terreur, en degenen die leven onder haar schrik: "The prophets and their pawns have had another success [...] when we were at school they could never have persuaded me that lives like yours were in the hands of these erroneous fools." Niet dat Dangerfield meent boven de Kafkaëske (there, I said it) realiteit van vandaag de dag te staan - zelfs het carpe diem-achtige slot wordt overschaduwd door zijn eigen angst: "Live and be thankful you're here / See, it could be you tomorrow, or next year."

En dat ze van vogels houden mag duidelijk zijn: naast het vernoemen van de band naar een vliegbeest is ook het album doorspekt met kleine snavelpikjes. Zo opent Come Away With Me met een opname van - ja, een soort vogel; ik ben verdomme geen ornitholoog.

De stem van Dangerfield is helder en vriendelijk, en zodoende op het eerste gehoor wat onkenmerkend. Hij lijkt zijn vocale repertoire duidelijk afgebakend te hebben: directer dan Damien Rice en aardser dan Jeff Buckley, zelfs al smijt hij met Buckleyaanse falsetto's alsof het niks kost. Het meest interessant is Dangerfield dan ook als hij buiten dit stramien treedt: neem de opening van het titelnummer, waar in een "shit-m'n-mic-stond-al-open"-moment een ademende, giechelende Guillemots-zanger te horen is.

Dangerfield's proudest moment is echter in het slotlied, het twaalf minuten durende epos São Paulo: na een in 6/8-maat doorkabbelende mijmering over in Brazilië verloren liefdes en de verplichte pianosolo-met-strijkers valt de band stil. Vanuit diepe stilte wordt in het geniep gewisseld naar vierkwarts, en bouwen de Guillemots gestaag een alles-mag-loscrescendo op waarin Dangerfield hardop eist: "Get me a person, get me a person, get me a person who isn't me". Als bij de tweede "person" zijn stem bijna overslaat, en bij de derde helemaal, heeft Dangerfield zich bij mij definitief bewezen: dit is heel geen vogel, dit is een gewone man en hij maakt ongewoon mooie liederen.

Al met al is Through The Windowpane een meeslepende verzameling schetsen, die ondanks hun barokke presentatie nooit hun realiteitszin verliezen. Sterker nog, de beelden die Guillemots oproepen zijn wat mij betreft niet zozeer beschrijvingen van de werkelijkheid (geforceerd en machteloos als die toch vaak zijn), maar beeldschone kleine stukjes
werkelijkheid op zichzelf: ornaat omlijst, maar verfrissend alledaags. De vergelijking dient zich aan met het prachtige gedicht "Red Wheelbarrow" van William Carlos Williams: "so much depends / upon / a red wheel / barrow / glazed with rain / water / beside the white / chickens."

Dangerfield lijkt het hiermee eens te zijn: in het mierzoete en zelfbewuste Made-up Lovesong #43 verzucht hij: "Now, there's poetry in an empty Coke can". Inderdaad.

The Guillemots: Lowlands, zaterdag 15:15, Lima.

Labels: , , ,





























































































































































































































































·